Natuurlijk fantaseer ik over Rio

Quinoa color bowl
16 april 2016
Zilver voor Nederlandse vrouwen op 4×100 vrij
18 april 2016

Natuurlijk fantaseer ik over Rio

Maud van der Meer (23) wil dit jaar als estafettezwemmer naar de Olympische Spelen, wat eerder nét niet lukte. Volgende week moet ze bewijzen dat ze in vorm is. „Elk spiertje gebruik je om vooruit te komen.”
Tekst Esther Wittenberg Foto Andreas Terlaak
Fanatiek

„Ik weet niet waar ik het talent vandaan heb. Mijn moeder en oma zwommen recreatief, mijn vader is helemaal niet sportief. Maar ik zwom als kind al beter dan de rest. Ik haalde vrij snel mijn diploma’s want ik leerde bewegingen gemakkelijk en had er plezier in. Het snorkelen en reddingzwemmen daarna werd al gauw saai want ik was zoveel sneller dan de anderen. Toen ik negen was, mocht ik van mama op wedstrijdzwemmen. Vanaf het begin won ik medailles. Ik zwom alle slagen en afstanden, maar had een voorkeur voor borstcrawl. Daar haalde ik ook de meeste prijzen mee. Ik won zo vaak, dat ik tegen mijn moeder wel eens verzuchtte dat het bijna niet meer leuk was. Mijn moeder zei dan: ‘Ga gewoon een keer wat langzamer.’ Maar dat kon ik niet. Ik ben altijd fanatiek geweest en maak overal een wedstrijd van. Zelfs: wie het eerste slaapt.”

Scheiding

„Op mijn vijftiende en zestiende deed ik mee aan de Europese Jeugdkampioenschappen. Daarna vroeg de bondscoach me of ik niet wilde komen trainen bij het Regionaal Trainingscentrum voor talenten in Eindhoven. Ik twijfelde geen moment. Het was voor mij de logische volgende stap naar: nog beter worden. In twee weken tijd was het geregeld. De eerste maanden bleef ik in Uden wonen. Dan lag ik ’s ochtends om 6.15 uur in Uden in het zwembad, nam na de training de bus naar Eindhoven, fietste vanaf het station naar mijn nieuwe middelbare school, ging ’s middags trainen in Eindhoven en was uiteindelijk om 19 uur weer thuis. Dat hield ik niet vol. Dus ging ik op mijn zestiende met een teamgenoot in een appartementje van het trainingscentrum in Eindhoven wonen. Doordat mijn ouders waren gescheiden toen ik acht was, was ik wel gewend voor mezelf te zorgen. Dat bleek nu een voordeel. Er waren teamgenoten die nog niet eens wisten hoe ze een magnetronmaaltijd moesten opwarmen.”

Chickenwings

„Ik vind het fijne aan zwemmen dat je met heel je lichaam bezig bent. Elk spiertje gebruik je om vooruit te komen. En ook technisch komt er zo veel bij kijken. Wanneer adem je? Hoe houd je je hoofd? Hoeveel spanning zet je op je armen? Ik houd van het streven naar perfectie. Mijn keerpunt is mijn zwakte. Daar verlies ik tijd. Dus besteed ik er extreem veel aandacht aan dat te verbeteren. Het is de kunst zo kort mogelijk op de muur te staan en toch hard af te zetten. Puur zwemmend – dus los van start en keerpunt – ben ik op mijn sterkst. Ik heb brede schouders, smalle heupen en ben wat atletischer gebouwd dan de gemiddelde vrouw. Dat maakt mijn lijf geschikt om hard te zwemmen. Door het vele trainen heb ik spierballen, chickenwings – die schouderspieren die net onder je badpak vandaan komen – en weinig borsten. Ik zou wel een paar centimeter langer willen zijn. Ik ben net wat kleiner dan bijvoorbeeld Ranomi (Kromowidjojo, red).”

Tijgerpoot

„Op mijn eerste grote seniorentoernooi, het WK van Shanghai in 2011, won ik met het estafetteteam goud op de vier keer honderd meter vrije slag. Een jaar later zouden de Olympische Spelen in Londen zijn. Voor het eerst drong tot me door dat mijn droom ooit naar de Olympische Spelen te gaan realistisch begon te worden. Tijdens de Swim Cup in 2012 zwom ik in de halve finales de zesde tijd van het seizoen, genoeg voor een reserveplek in de estafetteploeg. In de finales zwom Saskia de Jong onverwacht tweehonderdste sneller. Dat zag ik toen ik aantikte en naar het scorebord keek. Het moment dat tot me doordrong dat zíj mee mocht als reserve en niet ik, herinner ik me als de dag van gisteren. Ik ben er een tijd goed ziek van geweest. Ik was de enige van mijn team die niet ging. Mijn trainer Jacco Verhaeren zei: ‘Wij zijn nu allemaal in voorbereiding. Daar pas jij niet zo goed bij.’ Toen heb ik even niet getraind. Ik had er geen zin meer in. Ik liet de touwtjes vieren, kwam wat aan, verloor fitheid. Tot ik me realiseerde dat ik het zwemmen miste en weer wat wilde doen. Toen ben ik weer begonnen. Ik liet een tatoeage in mijn nek zetten van een tijgerpoot met klauwen die krassen achterlaten als teken van moed, kracht en doorzettingsvermogen. Mijn motivatie mijn droom waar te maken is sindsdien groter dan ooit.”

Inge de Bruijn

„Vroeger was Inge de Bruijn echt mijn voorbeeld. Tot ik haar ontmoette. Ze was ontzettend onaardig. Nee, meer zeg ik daar niet over. Een ander voorbeeld is Marleen Veldhuis. Ik bewonder haar om de manier waarop zij topsport en moederschap combineerde. Drie dagen voor de bevalling zwom ze nog vijf kilometer en zei ze: ‘Zaterdag ben ik er gewoon bij.’ Die zaterdag beviel ze. Ze heeft mij laten zien dat het haalbaar is een kind te krijgen tijdens je zwemcarrière. Niet dat ik meteen na Rio zwanger wil worden, hoor. Maar misschien een jaar daarna. Ik ben al vijf jaar samen met ex-schoonspringer Ramon de Meijer.”

Individueel

„Ik heb geaccepteerd dat het nu niet realistisch is om individueel naar de Olympische Spelen te willen. Per land mogen er maar twee deelnemers per afstand worden afgevaardigd. Dat zijn voor Nederland op de 100 meter vrije slag Ranomi en Femke (Heemskerk, red). Zij zijn twee van de vijf snelste vrouwen ter wereld op die afstand. Zij behoren tot de top. Ik zal het stapje van subtop naar top moeten maken. Dat zit er zeker in. En na Rio stoppen er sowieso een aantal mensen. Dat biedt misschien ook weer kansen.”

Concurrent

„Marrit Steenbergen, pas vijftien jaar, is nu mijn grootste concurrent om in het estafetteteam mee te gaan naar Rio. Nee, ik vind dat niet frustrerend. Ik vind het knap wat ze doet, al wil ik haar natuurlijk wel voor blijven. Dit seizoen heeft ze nog niet sneller gezwommen dan ik. Komende week, tijdens de Swim Cup Eindhoven, moeten wij onze vorm weer tonen. Na het EK in Londen eind mei wordt definitief duidelijk wie er mee naar Rio gaat. Ik kan alleen mezelf de schuld geven als ik het niet red. Je mag kritisch op jezelf zijn, maar moet neutraal zijn naar anderen. Al is de ene zwemster een vriendin en de andere een teamgenoot. Mijn vriendinnen zijn eerlijk gezegd bijna allemaal al gestopt met zwemmen.”

Topsporter

„Ik sta om half zeven op en ga om tien uur naar bed. Ik eet op vaste tijdstippen en train zes dagen in de week. Ik leef als topsporter, maar neem het zwembad niet mee naar huis. Die anderhalve dag die ik per week heb om te herstellen, ga ik niet alleen maar op de bank liggen om uit te rusten. Een keer naar de film, een balletvoorstelling of een pretpark geeft ook energie. Al overleg ik daarover wel met mijn coach Marcel Wouda. Gelukkig staat die ervoor open soms wat te schuiven in mijn programma. Na 2012 heb ik een traject bij een sportpsycholoog doorlopen. Vroeger was ik een persoon die zorgen voor zich hield tot ze zich opstapelden en ik uiteindelijk heel emotioneel werd. Nu praat ik veel met mijn coach. Ik heb geleerd ook mentaal een topsporter te zijn: met angst en de druk om te gaan door in het hier en nu te blijven. Niet al tijdens de ochtendtraining met mijn hoofd bij de middagtraining te zijn. Niet drie dagen voor een toernooi al voortdurend aan dat toernooi te denken. Al dat gepieker leidt af en kost energie. Natuurlijk fantaseer ik over Rio, maar ik probeer me er niet op te focussen en er vooral van te genieten zo goed mogelijk te worden.”

Zie ook: http://www.nrc.nl/handelsblad/2016/04/02/natuurlijk-fantaseer-ik-over-rio-1603335

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *